Frans Leonard

Dagboekfragment:
In memoriam Mohammeds vrouw (1997)
PoŽzie:
Weekend in Hank
Liefdes' schijnbewegingen 3

In memoriam Mohammeds vrouw

Ik ga de laatste twee jaar wekelijks op donderdag een uurtje naar hem toe, naar de Iraniër Mohammed Besharati, om met hem te converseren in het Nederlands en er is vriendschap uit ontstaan, over twee culturen heen.
Maar deze week belt hij op het laatste moment af. Hij praat meestal moeilijk Nederlands door de telefoon, maar nog nooit was hij zo helder als nu. Zijn vrouw heeft een hartaanval gehad, is opgenomen in het Groot ziekengasthuis. Ik moet donderdagmiddag toch naar het ziekenhuis omdat vriend Jack er ligt te bekomen van een prostaatoperatie, dus ik probeer aan de balie erachter te komen waar zij ligt. Ze is nog niet opgenomen in de database, dus er wordt doorgeschakeld naar de EHBO. Daar bestaat ze. Bent u familie? Nee, ik ben een huisvriend, zeg ik, op dat moment voor het eerst de relatie benoemend. Ik mag haar niet bezoeken. En ik dring niet aan. Jammer, achteraf.
Zaterdagavond belt Mohammed opnieuw. Mohammeds vrouw was al overleden toen ik donderdag in het ziekenhuis was en hij nodigt me uit voor de begrafenis. Mohammed. mijn hart gaat naar je uit. zeg ik hem, ontroerd.
Ze heet Amenè, of zoiets, want haar voornaam is niet zo duidelijk aanwezig. Iraniërs benoemen elkaar zelden met de naam, ze zijn de vader van... of de oudste zoon. En zij is gewoon Mohammeds vrouw. Contact maken met een vrouw uit een andere cultuur die beperkt Nederlands praat en zich op de achtergrond houdt, de koffie inschenkt, zo'n vrouw dreigt een schim te worden, al is ze vaak onderwerp van onze gesprekken.
De laatste keer dat ik haar zag, hadden ze hun kleinzoon te logeren en ik hoor haar Nederlands praten als nooit tevoren en zeg: Ik ben jaloers. Je praat met je kleinzoon meer Nederlands dan met mij. En ze lacht vriendelijk en begrijpt wat ik zeg.
De keer daarvoor was ze net terug van haar reis naar Iran, voor het eerst in vijf jaar, op bezoek bij de dochter die naar Iran was teruggekeerd, omdat ze het hier niet kon uithouden. Daar leed Mohammeds vrouw onder, dat ze haar gezin niet compleet had in dit land. Dat had invloed op haar fysiek. Het was goed dat ze nog een keer in Iran was geweest. Wat ze nog in haar leven wilde, had ze bereikt. Ze was naar haar moederland teruggekeerd, ze had haar dochter en haar familie weergezien. En ik vond het moeilijk dat ik niet in staat was haar te vragen hoe ze het gehad had. Mijn Iraans is belabberd.
Ze heeft toen een souvenir voor mij meegenomen, een Iraans wandkleedje, een handbeschilderd rechthoekig stuk leer, keurig gevat in houten stokjes, als een gebedsrol. De schildering betreft een mooie vrouw met een hert aan haar voeten. Het lijkt of de vrouw danst. En plots is er iets aan de muur van mijn huiskamer dat ik eigenlijk als kitsch beschouw. Maar ik heb het opgehangen en langzaam krijgt het zijn plek, wordt vertrouwd. En telkens zeg ik tegen mijn vrienden: Ze heeft voor mij een mooie vrouw uit Iran meegenomen. Door de culturen heen, over de taal, streelt ze mijn ogen. Vanavond ben ik blij dat het er hangt. Ik leg mijn hand op het leer en daar zijn de tranen, heel even.
De week voor haar overlijden sprak Mohammed met me over zijn eenzaamheid, in zijn flat aan de Lucasstraat. Hij was verdrietig en ik heb hem gezegd: Mohammed, ik vind het zo jammer, dat je de weekends altijd aan je familie wilt besteden. En hij zei heel oprecht: Ik wil voor mijn vrouw zorgen. Dat hoeft nu niet meer.

Jet, mijn vriendin, die me in contact heeft gebracht met Mohammed, en ik gaan naar de begrafenis van Mohammeds vrouw op de algemene begraafplaats te Orthen. We weten alleen de plaats en de tijd, maar wat we daar zullen aantreffen, we hebben geen flauw idee. De zon schijnt, we lopen rond en vergapen ons aan de kitsch en de ontroering die daarmee gepaard kan gaan. Een buurvrouw van Mohammed komt ook en we delen de onzekerheden over het omgaan met een andere cultuur en wachten, drie kwartier, en komen er dan achter dat er nog een andere ingang is en lopen erheen. Plotseling komt er een hele horde Iraniërs op ons af, ik ontwaar Mohammeds grijze hoofd, dat er plots veel ouder uitziet, en we omhelzen elkaar innig. De ceremonie is voorbij, maar Mohammed neemt ons mee naar het graf van zijn vrouw en we staan er even stil, ontroerd. Het graf is al dichtgegooid en ligt vol met bloemen, er ligt een gesluierde foto van Mohammeds vrouw. Ik ben even alleen met haar en overdenk wat er te delen was, en wat niet. Choda'avez wens ik haar tenslotte, tot ziens in het Iraans en breid wanhopig mijn armen uit in een halve zegen. We lopen terug en ik hou Mohammed goed vast, aai over zijn rug, omhels hem en merk hoe prettig het is dat mannen elkaar veelvuldig mogen aanraken in zijn cultuur. Op de terugweg vertelt hij me over de laatste momenten met zijn vrouw, korte bloemrijke zinnen.
We belanden in een shoarmatent, vlak bij mij in de buurt. Het Iraans schettert ons om de oren, en ik herken de klanken en hervind steeds meer Iraanse woorden. Het is een verwarrende ervaring voor me. Bloedmooie Iraanse vrouwen, verdrietig, breekbaar en de kinderen rennen rond en spelen. Ik sta even buiten met Mohammed en zeg dat ik, toen mijn grootvader stierf, stil en verdrietig moest zijn, maar hier is leven en jeugd, een teken: het leven gaat door. En we blijven heel dicht bij elkaar. Mohammeds jongste dochter komt naar me toe en zegt in gebrekkig Nederlands dat ze zoveel over me gehoord heeft en dat ze het jammer vindt om me onder deze omstandigheden te ontmoeten. Elk begin is een goed begin, zeg ik want ik voel telkens weer dat eenvoudige, heldere woorden een basis kunnen zijn voor conversatie. Ik ontdek mijn taal opnieuw via Mohammed.
Ik heb Mohammeds vrouw niet meer gezien, zie alleen het kleinkind, Mahmoed, de zoon, Mohammed, zij die achterblijven. En het beschilderd leer, het eerste en laatste tastbare dat ik van haar kreeg, naast de vele kopjes koffie.


Weekend in Hank

Dat was me het weekend wel;
de eerste nacht was de tent te klein
voor twee geliefden die even
niet meer wisten waar de liefde
toch gebleven was. Vergeten, misschien?
Als dit maar niet symbolisch wordt.

En dan de dag waarop we
- nog steeds waren we slapeloos -
samen de Bergse Maas opvoeren.
Jij ging links en ik ging rechts
en samen kwamen we nergens.
Als dit maar niet symbolisch wordt.

Maar de laatste dag rust mijn hoofd
op je been en streel je mijn haar
en ik trommel ritmes op je billen
en ze klinken goed. Je bent mijn
instrument en ik je luisterend oor.
als dit nu eens, nee, opnieuw!

Als dit nu eens symbolisch is
dat elke strijd die we nu strijden
telkens opnieuw de laatste is
dat elke traan die we schreien
elk slapeloos uur nooit,
nee nooit meer terug zal komen.

Dat we dan tenslotte, moegevochten,
tevreden en bezweet onze wonden
likken en tegelijk in elkaars oren
fluisteren: lief, mijn lief, ik
geef me over. Zorg je voor me?
Dan zal ik voor je zorgen.

Frans Leonard, 12-7-1994


Liefdes' schijnbewegingen 3
(no Valentine)

mijn liefde ligt diep verborgen
onder bergen lege flessen
die we samen tot aan de bodem zopen
onder nachtelijke uren vol met woorden
tot aan het eind van ons latijn

mijn liefde ligt diep verborgen
onder pijn en onder verdriet
over willen proberen te kunnen
en of het kan, ik weet het niet
er zijn alleen maar mooie dromen

vandaag ben ik gaan graven, lief
ik had nog niets gevonden toen je kwam
waarna je tranen weer gingen stromen
zodat er even niets te graven viel
- nutteloze schep van mijn geweten

en verder groef ik, diep, mijn lief
en vond je kneepje in mijn arm toen ik zei
- al wandelend over de grote brug
doorweekt in regen, de afgrond nabij -
hier gaan we volgend voorjaar heen
alles zal zeker mooier zijn

onzekerheid leidt slechts tot angst
en wie het bangst is ziet geen licht
en waar het donker is, verdwijnt de lucht
en zonder luchtigheid geen liefde

Frans Leonard, 14-2-1996


Meer schrijverij is te vinden op de homepage van Frans Leonard.
Terug naar Pennenvruchten
Terug naar Clara's Boekenrubriek